SCHRIJFSELS


Mag ik eens klagen?
15 Jan, 2025

Mag ik eens klagen?
Mag ik eens zagen?
Publishers die boekenseries uitbrengen met afwijkende vormgeving.
Wat doen jullie? Wat is het probleem? Wie wil er nu zes boeken met een verschillend design?
Fietsers die over het voetpad rijden terwijl er naast hen een perfect aangelegd fietspad ligt, speciaal voor hen bedoeld. Ooh, geen probleem hoor! Ik wandel wel in de goot!
En dan die mensen die midden op de markt stoppen om te praten, zodat niemand er nog langs kan. Daar word ik pas écht gelukkig van.
Scamcalls, schreeuwende kinderen, scherpe rugpijn,
knikkende knieën, een kink in de kabel, kwade bellers
en dat laatste beetje ketchup dat niet uit de fles wil komen.
Het is alsof de ketchupfles een persoonlijke vete met me heeft.
Er zijn zoveel dingen waar ik me aan kan storen.
Soms denk ik daar aan, en dan schaam ik me. Dan weet ik weer dat ik vergeten was dankbaar te zijn voor wat ik wél heb.
Uiteindelijk is dan het glas toch halfvol.


De vroege trein`
21 dec, 2024

7u20: Met een oorverdovend roestige kreun komt de oude trein van Turnhout naar Antwerpen in beweging. Ik zit al een tijdje rustig te lezen. Ik hoor niet veel van de aankondigingen van de conducteur die zoals gewoonlijk slechts half door de verouderde intercom heen komen. Het enige wat ik opvang is dat door omstandigheden waar niemand een verklaring voor heeft, de trein uit vier wagons in plaats van acht bestaat. Ik onderdruk de ergernis die die boodschap al zo vaak bij me oproept.
De robotvrouw die klinkt als een radiopresentator kondigt aan dat we in Tielen stoppen. Even kijk ik op vanuit mijn boek. Ik slaak een zucht. De trein stroomt vol. Ik schuif op zodat de lange slungel met zijn zwarte valies naast me kan plaatsnemen. Ik werp hem een vriendelijk knikje toe maar schuif enkele centimeters dichter naar het raam en breng mijn boek dichter naar mijn hoofd.
“We komen aan in… Herentals.” Mijn benen trek ik zo ver mogelijk tegen me aan, alsof ik kan verdwijnen in de smalle hoek van de bank. Mijn ogen glijden naar de overvolle vierzit, alsof ik die de schuld kan geven. Twee jonge vrouwen nemen plaats tussen mij en de andere drie personen die op de vierzit zitten. Hebben de mensen geen besef van persoonlijke ruimte meer, denk ik bij mezelf. Het is een vierzit, geen zeszit, mopper ik terwijl ik nors mezelf zo klein mogelijk probeer te maken.
Ik probeer me terug op mijn boek te concentreren. “Ja, echt wel toeval dat ik u hier tegenkom, Anja! Normaal pak ik de trein niet. Maar ja, we hadden een pedagogische studiedag…” Ik kijk met een half oog naar de veel te blije vrouw. Haar vriendin brengt een zwak “Ja, hoe toevallig” uit. Ik sla de bladzijde om, goed beseffend dat ik maar voor de helft gelezen heb.
“Vervoersbewijzen graag!” Ik haal mijn treinkaart uit mijn portefeuille. De vrouw voor me staart al de hele rit strak naar het raam, haar mond een dunne, rechte streep. Wanneer de conducteur langskomt, draait ze zich met een ruk om en zegt koeltjes: “Het is nu wel heel vaak dat we met zo’n verkorte trein moeten reizen.” “Ja, ik weet het, mevrouw! Ik vind het ook erg vervelend.” De vriendelijke conducteur toont oprechte empathie. “Waarom is dat zo?” vraagt de vrouw verwijtend, alsof de conducteur hier controle over heeft. “Ik weet het ook niet. Het is voor ons ook niet aangenaam,” zegt ze op een toon die verraadt dat ze dit gesprek die ochtend waarschijnlijk al drie keer heeft moeten voeren. “Ja, voor niemand,” zegt de vrouw, en ze kruist haar armen.
Ondertussen gaat de leerkracht die samen met Anja op de trein tussen ons in is komen zitten verder met haar monoloog. “Ja, wij hebben dit jaar echt veel gedaan voor de Sint op onze school! Ik neem dat allemaal op mij. Ja, ze verwachten dat van mij. Ik ben ook erg creatief. Ja, dat vinden de kindjes fantastisch…” Haar verhaal wordt af en toe onderbroken door enkele “Aha’s!”, “Echt’s?” en “Ooh’s” van Anja. Ik klap mijn boek dicht en staar naar het voorbij zoevende landschap dat zich nergens iets van aantrekt.
Ik probeer mijn ogen te sluiten en de laatste halte gewoon weg te slapen. De stem van de leerkracht vult onvermoeibaar de ruimte terwijl het monotone gezoem van de trein alles buiten haar woorden lijkt te dempen. Ik vraag me af of ze niet doorheeft dat Anja haar verhaal niet boeiend vindt.
“We komen aan in Antwerpen-Berchem.” Ik wurm me uit de vierzit, mijn knieën stijf van het langdurige zitten. Buiten slaat de ijzige wind tegen mijn gezicht. Het voelt alsof ik eindelijk weer kan ademen. Ja ja, de trein, het is een ervaring.


Koud op de fiets
21 dec, 2024

Een blauwe schijn hangt nog over het stationsplein als ik met mijn snelle pas naar het velo-station wandel. “Het is donker als je vertrekt en als je thuiskomt,” hoor ik mijn vader in mijn hoofd zeggen. Ik steek mijn handen in mijn zak om ze warm te houden. Ik voel mijn velo-kaart zitten en grijp de kaart vast zodat ik hem niet zou verliezen.
Ik kom aan bij het velo-station. De persoon voor mij treuzelt aan de zuil. Ik vertel mezelf om me niet te veel te ergeren aan het gebeuren, maar merk toch dat ik mijn handen in vuisten vorm in mijn jaszakken. Hij stapt aan de kant. Ik ga naar de zuil en scan mijn kaart. Nummer 23. Ik snel naar de fiets en hef hem uit het rek. Ik onderdruk een verveelde lach. Het stuur wiebelt en het zadel staat los. Al bij al een topvelo.
Ik spring op de fiets en begeef me naar het fietspad. Er zijn een aantal obstakels die ik onderweg moet ontwijken. Het eerste is de meute mensen die op het fietspad staat te wachten. Ik zucht, geërgerd door het feit dat ze niet aan de kant gaan. Ik zigzag stapvoets door hen heen.
Nu ben ik door de menigte. Ik zoef door de kleine tunnel en wijk uit om het diepe kuiltje in de weg te ontwijken. Ik steek over en sta stil voor het licht. Nu ik stilsta, voel ik mijn oren gloeien van de kou. Ik steek mijn linkerhand in mijn zak om hem wat op te warmen. Het wordt groen, en ik haast me zo snel mogelijk naar de overkant. Ik hoop dat ik zo snel ben dat het volgende licht ook nog op groen staat. Ik haast me, maar natuurlijk is het rood en sta ik weer stil.
Ik kijk hoe mijn adem witte wolkjes vormt. Mijn neus is beginnen lopen. Het is alsof het weer het op mij gemunt heeft. Ik vertrek weer en snel naar de velo-halte bij het kantoor. Ik zet mijn fiets weg en merk mijn collega op, die zoals zo vaak gelijktijdig aankomt.
“Hey hey!” We groeten elkaar. Ik vergeet al snel de gammele fietstocht wanneer we al vrolijk pratend naar het kantoor wandelen.


De avond valt
21 dec, 2024

De schemering valt. Ik steek alle lampen aan met één bevel.
Een gouden gloed verspreidt zich door de ruimte. Ik loop naar het raam om de gordijnen te sluiten. Al woon ik op het hoogste verdiep, je weet maar nooit welke geheimzinnige geest naar binnen gluurt. Ik beeld me in dat de oranje gloed van de straatlantaarn van de geest afkomt. Ik gluur naar de verlaten straat en trek het gordijn nu helemaal dicht.
De koude kruipt over mijn rug. Ik kruip onder het deken en trek mijn benen op. Nu nog een muziekje, iets rustigs en klassieks bij voorkeur. Een zachte jazzmelodie vult de stilte op.
Verdraaid, mijn boek vergeten.
Ik kruip recht en loop naar de tafel. Ik grijp het boek en neem weer plaats. Ik begin vol goede moed aan mijn boek. Het gaat vlot vooruit, tot ik besluit mijn gsm te nemen om het uur te bekijken.
Ik zie dat ik een melding heb. Nog voordat ik het doorheb, begin ik te scrollen. De tijd gaat voorbij en plots valt mijn oog op het boek.
Juist, ik ging lezen. Ik moffel mijn gsm weg en begin verder te lezen. Dit eeuwige ritueel zal nog de rest van de avond doorgaan, zoals het elke avond gebeurt. Ik heb me er allang bij neergelegd. De letters van het verhaal vervagen voor mijn ogen. Mijn gedachten dwalen af. Ik geeuw luidruchtig, om duidelijk te maken aan de straatgeest en de verlaten ruimte dat ik moe ben. Ik sla mijn boek dicht. De tijd heeft weer gewonnen. De nacht staat klaar om me te verwelkomen. Mijn zware ogen laten me weten dat ik moet gaan slapen.
Slaapwel.

Contacteer Sjarel

← Back

Je bericht is verzonden

Waarschuwing
Waarschuwing
Waarschuwing
Waarschuwing!